De Arbowet verplicht werkgevers al het mogelijke te doen om te voorkomen dat werknemers ziek worden als gevolg van blootstelling aan schadelijke stoffen. Vastgestelde grenswaarden voor bepaalde stoffen geven bedrijven inzicht in hoe zij hun werknemers goed kunnen beschermen. Maar welke grenswaarden en maatregelen zijn haalbaar voor bedrijven? Deze vragen komen op het bordje van het nieuwe Expertbureau Blootstelling aan Stoffen op het Werk (BSW), dat op 15 juni 2026 van start is gegaan.
Het Expertbureau BSW is opgericht op initiatief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De missie van het bureau is kennis en expertise te bundelen voor een degelijk en onafhankelijk advies over de haalbaarheid van grenswaarden. Het Expertbureau is ondergebracht bij TNO en gaat de SER-commissie Grenswaarden Stoffen op de Werk (SER-GSW) ondersteunen bij de oordeels- en besluitvorming en het adviesproces. Uiteindelijk belanden die SER-adviezen op de tafel van de minister van SZW. Ze vormen de basis voor het invoeren van een wettelijke grenswaarde: welke blootstelling is acceptabel en welke niet? En met welke maatregelen kunnen de risico’s voor werknemers worden verminderd?
Doden en beroepsziekten
Het bureau richt zich op serieuze materie wat betreft arbeidsveiligheid, zo bleek uit de bijdragen van diverse sprekers tijdens de startbijeenkomst in Den Haag. SER-voorzitter Kim Putters becijfert dat jaarlijks naar schatting ruim 3000 mensen overlijden als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek. Het aantal mensen dat gezondheidsschade of een beroepsziekte oploopt is aanzienlijk hoger; gemiddeld zo’n 13.000 gevallen op jaarbasis.
Het gaat om blootstelling aan zeer uiteenlopende stoffen in tal van bedrijfstakken. Putters wees op het dossier ‘Chroom-6’ dat jaren geleden het nieuws domineerde. Uit RIVM-onderzoek bleek dat werknemers die met Chroom-6 bevattende verf werken, grote gezondheidsrisico’s lopen. Maar de lijst stoffen met potentieel schadelijke effecten is lang. Denk bijvoorbeeld aan chemicaliën in lijm, verf en oplosmiddelen. Maar ook zware metalen, steenstof (kwarts), uitstoot van dieselmotoren (fijnstof) en meer.

Die risico’s moeten omlaag, vinden de overheid, werkgevers- én werknemersorganisaties. Het voorkómen van beroepsziekten als gevolg van vermijdbare blootstelling is een gedeeld belang. En uiteindelijk is het ook belangrijk vanwege de kostenbeheersing in de zorg dat er minder mensen ziek worden door blootstelling aan stoffen op hun werk. Daarom moeten bedrijven en sectoren ervoor zorgen dat de juiste gevalideerde kennis en informatie op tafel komt om de blootstelling en haalbaarheid van grenswaarden goed te kunnen meten en beoordelen. Het Expertbureau kan alleen dan adviseren over grenswaarden en beschermingsmaatregelen.
Wetenschappelijke onderbouwing
“Alles wat werkgevers redelijkerwijs kunnen doen om hun werknemers te beschermen tegen uitstoot van stoffen die de gezondheid kunnen schaden, moet ook worden gedaan”, betoogt Kees LeBlansch, in zijn kersverse rol als eerste voorzitter van het Expertbureau BSW. “Belangrijk daarvoor zijn wetenschappelijk onderbouwde grenswaarden voor potentieel ziekmakende stoffen, waarmee werknemers op de werkvloer in aanraking kunnen komen. Dat moet een robuust en onafhankelijk proces zijn, dat goed moet worden geborgd. De benodigde kennis en expertise moet voor een belangrijk deel uit de praktijk komen. Daarom werkt het bureau met een pool van experts, waarin verschillende kennisdisciplines samenkomen. Zo’n expertpool wordt per dossier specifiek samengesteld met bijvoorbeeld arbeidshygiënisten en procestechnologen.
Onafhankelijk en sneller advies
Grenswaarden worden al langer vastgesteld, maar volgens LeBlansch lopen de belangen van werkgevers- en werknemersorganisaties soms uiteen en was er onvoldoende expertise om daar goed mee om te gaan. “Het Expertbureau BSW heeft een onafhankelijke positie en borgt daarmee de onpartijdigheid bij haalbaarheidsstudies voor grenswaarden. Bovendien verwachten we met de bundeling van vakexpertise en herinrichting van ons proces ook sneller te kunnen werken. In het verleden was de doorlooptijd van het proces om grenswaarden vast te stellen vaak erg lang. Met de nieuwe opzet kunnen we sneller een haalbaarheidsonderzoek uitvoeren en de resultaten ervan sneller verwerken. Het sneller vaststellen van grenswaarden is uiteindelijk in het belang van werknemers.”
LeBlansch vult aan dat de nieuwe opzet voor het vaststellingsproces van grenswaarden alleen kan slagen als brancheorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties samen optrekken in een partnerschap. “Al die partijen hebben we nodig. De bedrijven en brancheorganisaties moeten de juiste informatie aanleveren over de stoffen waarvoor grenswaarden moeten worden vastgesteld. Hoe ziet de praktijk in de verschillende bedrijfssectoren eruit? Met welke stoffen wordt gewerkt, hoe worden die stoffen gebruikt en in welke mate worden werknemers hieraan blootgesteld? Die data zijn nodig als input voor een gedegen analyse op blootstellingsrisico’s en mogelijke effecten. Voor kleinere bedrijven en zzp’ers kan het overigens best lastig zijn om zo’n onderzoek te doen en goed gevalideerde metingen uit te voeren. Goede communicatie is dan ook belangrijk om alle partners, inclusief de bedrijven, te informeren over welke inspanningen van hen worden verwacht.”
Meerjarig programma
Het Expertbureau BSW wordt voor zijn werk gevoed vanuit de SER-GSW-commissie, die een meerjarig werkprogramma opstelt met stoffen die ‘grenswaardeplichtig’ zijn en vaststelt welke prioriteit die krijgen. Dat gebeurt op basis van een lijst die wordt opgesteld door het ministerie van SZW, in overleg met onder andere het RIVM en de Gezondheidsraad. Het expertbureau maakt dan een jaarplan.

Om het nieuwe analyse- en adviesproces in de praktijk te toetsen is hydrazine als pilotstof gekozen. Een kankerverwekkende stof, onder andere in gebruik als tussenproduct in de chemische industrie, bij de productie van kunstmest en medicijnen en als stuwvloeistof in de lucht- en ruimtevaart.
LeBlansch: “We hebben hiervoor gekozen omdat het op zich een relatief ‘eenvoudige stof’ is, die goed is te herleiden naar gebruikers en toepassingsdomeinen. Maar we zullen ook ingewikkelder dossiers op ons bordje krijgen. Het volgende dossier dat we in ons adviestraject in behandeling nemen voor het vaststellen van een wettelijke grenswaarde, is kwarts. Kwarts noemen we een ‘stof zonder eigenaar’. Het is een natuurlijk steenproduct, dat bij bepaalde vormen van bewerking in de bouw in stofvorm wordt verspreid. Blootstelling aan kwartsstof kan, net als bij asbest, het risico van kanker sterk vergroten.”
Manier van werken
De rol van het Expertbureau BSW is het waarborgen van een onafhankelijk en deskundig proces voor het vaststellen van wettelijke grenswaarden. Aan de hand van openbaar beschikbare informatie, zoals REACH-dossiers, stelt het expertbureau een gebruiksprofiel van de betreffende stof op, evenals een meetbaarheidsrapportage. Ook adviseert het met welke meetmethode en onder welke omstandigheden moet worden gemeten om goed gevalideerde meetresultaten te krijgen die iets zeggen over de mate van blootstelling van werknemers aan de te onderzoeken stof. In dit zo genoemde haalbaarheidsonderzoek wordt de mate van blootstelling van werknemers op de werkplek gemeten.
Het expertbureau verwerkt alle resultaten uit het haalbaarheidsonderzoek tot een expertadvies over de praktische haalbaarheid van het streef- en verbodsrisiconiveau. Dit preadvies is gebaseerd op de beoordeling van de meetbaarheid, de mate van blootstelling en de beschikbare maatregelen voor het beheersen van de risico’s volgens de geldende stand van de techniek. Dat kunnen zowel technische maatregelen zijn (aanpassingen aan installaties, machines of processen) als organisatorische maatregelen (werkproces, procedures, beschermingsmiddelen).
De SER-GSW stelt op basis van het preadvies van het Expertbureau BSW een definitief advies vast. Dat advies gaat vervolgens naar het ministerie van SZW. Op basis van dat advies beslist SZW over een in te voeren wettelijke grenswaarde en mogelijke maatregelen voor het beperken en beheersen van blootstelling.

Geen doden meer in 2040
Hanneke van den Bout is directeur Gezond en Veilig Werken bij het ministerie van SZW. Zij ziet grote toegevoegde waarde voor het Expertbureau BSW, in relatie tot de zogeheten Zero Death-missie van haar departement: de ambitie om ervoor te zorgen dat in 2040 niemand meer overlijdt als gevolg van onveilige of ongezonde werkomstandigheden. Ook zij wijst op het belang van krachtige samenwerking tussen overheid, werkgevers en werknemers om dit doel te bereiken.
“Wat betreft het beheersen van de gevaren van blootstelling aan stoffen op het werk zaten we de afgelopen jaren in een soort impasse: er was gebrek aan deskundigheid en gevalideerde informatie om de juiste afwegingen en keuzes te maken. Ik ben blij dat er nu een expertbureau is dat die leemte kan vullen met een deskundig team en een gezamenlijk proces van werkgevers en werknemers. Als ministerie zijn wij verantwoordelijk voor het vaststellen van grenswaarden, maar dan moeten we het wel doen op basis van de juiste kennis en informatie. Het ministerie financiert het expertbureau voor een periode van drie jaar. Daarna evalueren we of de gestelde doelen zijn bereikt en of en in welke zin verbeteringen gewenst zijn.”