Bhv-instructeur Lars van Driel: Van straatpsycholoog tot bhv-expert

Een jongeman die net doet alsof hij bewusteloos is, maar stiekem loert op de sleutelbos van de begeleider. Of een vrouw met PTSS die bij een luid geluid onmiddellijk onder haar bed duikt. Lars van Driel, ceo van Medical Support BV, heeft alles al meegemaakt, in de verslavingszorg en in blijf-van-mijn-lijfhuizen. Hoe verliep de overstap naar de bhv?

Een van jouw eerste banen was straatpsycholoog. Hoe wordt iemand dat?
“Op mijn achttiende deed ik de opleiding verpleegkunde en ik zocht een baan. Zo kwam ik terecht op een methadonpost. Daar raakte ik gefascineerd door de vraag: hoe kun je voorkomen dat mensen steeds weer op zo’n post terugkomen, dat ze steeds weer gebruik moeten maken van de reguliere zorg? En daarom ben ik psychologie gaan studeren. Toen ik daarmee klaar was, heb ik voor mezelf een functie gecreëerd: die van straatpsycholoog. Ik zocht mijn vroegere klanten op op straat en achter de voordeur om met ze in gesprek te gaan.”

Van daaruit ligt de stap naar bhv-trainer nog niet echt voor de hand?
“Dat ging ook geleidelijk. Ik liep eens over een evenemententerrein en zag dat er een jongen werd binnengebracht op de EHBO-post. Hij was overduidelijk onder invloed en volledig van de wereld. Ik hoorde een van die EHBO’ers zeggen: ‘Leg die junk daar maar in de hoek. Eigen schuld, dikke bult’. Ik was verontwaardigd, want in de verslavingszorg leer je dat het niet alleen gaat om die middelen. Rond dat gebruik zit een heel raderwerk van problemen, en daar hadden die mensen op de EHBO-post geen oog voor. Daarom ben ik trainingen gaan ontwikkelen over eerste hulp bij drank en drugs.”

Ben je zo in aanraking gekomen met de bhv?
“Inderdaad. Ik leidde EHBO- en bhv-instructeurs op om precies daarmee om te gaan, met alcohol- en drugsincidenten. Maar ik besefte ook dat ik nog niet precies begreep hoe die instructeurs dachten. Daarom ben ik eerst zelf de opleiding tot EHBO-instructeur gaan volgen en later de opleiding van het NIBHV. Nee, ik had toen zelf niet de ambitie om met een brandblusser rond te gaan lopen of op een reanimatiepop te drukken. Maar uiteindelijk rol je die wereld gewoon in.”

Lars van Driel: “Bij een ontruiming is ook de nazorg belangrijk.”

Je bent dus een bhv-trainer met een achtergrond in de verslavingszorg. Kun je die specifieke kennis ook gebruiken in je trainingen?
“Natuurlijk. Je gebruikt alle kennis die je in je rugzak hebt. Stel, ik geef een training voor een jeugdzorginstelling, de forensische zorg of een justitiële organisatie. Dan ga ik specifiek voor hen in op een situatie met een bewusteloos slachtoffer, want in een gesloten jeugdzorginstelling moet je eerst controleren of iemand werkelijk bewusteloos is. Zo’n jongere kan dat acteren en vervolgens ervandoor gaan met de sleutelbos van de begeleider. En voor een begeleider kan dat leiden tot gevaarlijke situaties.”

Je moet dus goed rekening houden met de specifieke branche?
“Absoluut. Dat zie je ook als je een reanimatietraining geeft aan buschauffeurs. Het gangpad in zo’n bus is veel smaller dan de meeste werkomgevingen. Dus als je die chauffeurs een reanimatiecursus geeft, moet je je afvragen of ze wel goed naast het slachtoffer kunnen zitten. Is daar ruimte voor, of moeten ze misschien een andere positie innemen?”

Is dat de reden dat je het liefst traint bij de klant zelf?
“Ja. Natuurlijk, we hebben hier een hele speelweide waar je allerlei scenario’s kunt afwerken. Maar toch zitten we het liefst bij de klant, want daar staat die heftruck, daar staat dat verpleegbed, en daar kunnen we oefenen in die bus. Dat is ook de reden dat we bijna geen open inschrijvingen meer doen. Praktisch alles is in company. We streven naar maatwerk.”

Heb je door je achtergrond ook meer affiniteit met EHBO en minder met ontruimingen?
“Ik denk dat ik er meer ervaring mee heb. Maar wat me vooral aanspreekt bij bhv is de psychologische kant, en die zie je vaak terug bij ontruimingen. Neem een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Technisch gezien is een ontruiming daar geen probleem, maar wat hier belangrijk is, is de nazorg. Wat heeft het alarm met de bewoners gedaan? Begrijpen ze wat er is gebeurd? Kunnen de medewerkers het goed uitleggen?”

Wat is dan precies het probleem?
“Voor de bhv’ers zelf gaat het vaak alleen maar om een oefening. Maar bij bewoners leidt zo’n hard signaal vaak tot paniek. Ik zag dat bijvoorbeeld in de vrouwenopvang. Daar zaten mensen met een heel verschillende achtergrond. Sommigen van hen waren gevlucht voor geweld. En bij een plotseling alarmsignaal doken die mensen zelfs onder hun bed.”

Hoe voorkom je dat?
“Bij de vrouwenopvang die wij trainen, hebben we de slow whoop uitgesteld. Als er een alarm binnenkomt, gaat er eerst een voormelding naar de bhv’ers. Die gaan ter plaatse kijken wat er aan de hand is, en pas dan wordt die slow whoop eventueel in gang gezet. Dat past bij onze filosofie. Want wie is uiteindelijk de doelgroep? Dat zijn niet de bhv’ers; dat zijn de fabrieksarbeiders, de mensen met een verstandelijke beperking, de vrouwen die te maken hebben gehad met eergerelateerd geweld. Je moet de bhv’ers zo opleiden dat ze die doelgroep zo goed mogelijk kunnen helpen. En vergeet niet: bij ieder incident is hulp verlenen maar één onderdeel.”

Hoe bedoel je dat?
“Laatst bracht ik mijn kinderen naar school. En daar was een moeder flauwgevallen op het schoolplein. Ze had een enorme hoofdwond, en je zag het bloed op de tegels. Ja, er kwamen onmiddellijk bhv’ers aan die 112 belden. Maar op die school zitten 450 kinderen. Die gingen allemaal naar binnen en zagen allemaal die vrouw liggen, met dat bloed. En achteraf hoorde ik dat veel van die jongens en meisjes daar best last van hadden. Dus daar hadden ze een scenario voor moeten bedenken. Iets als: in zo’n geval zorgen Marieke en Ronald voor het slachtoffer en twee anderen leiden de kinderen via de gymzaal naar binnen. Daar zouden wij bij de training de nadruk op leggen.”

Tot slot, hoe ervaar je de samenwerking met de NIBHV?
“De NIBHV is echt een prachtige organisatie. Kijk naar de producten die zij ontwikkelen, de materialen, hun visie en hun kennis. Dat is allemaal van een ontzettend hoog niveau en ondersteunend. Dus ik denk dat instructeurs zich binnen die organisatie thuis kunnen voelen en dat ze er veel input uit kunnen halen. Maar daarbij geldt wel: die instructeurs moeten ook input leveren. Alleen dan creëer je met elkaar synergie. En dat is waar het uiteindelijk om draait.”

Leave a comment