Hoeveel moet je als bhv-instructeur weten van de meest recente wetenschappelijke onderzoeken? Volgens Gijsbertjan Versluis van Expert-Brandbeveiliging is het verstandig om je hier goed in te verdiepen. “Een goede trainer is een beetje een vakidioot. Als een cursist vraagt naar het waarom, dan moet jij het antwoord hebben.”
Je hebt een commerciële opleiding afgerond. Waarom heb je dan gekozen voor een carrière als bhv-instructeur?
“Mijn vader heeft een eigen bedrijf op het gebied van brandbeveiliging. Dat omvat het hele pakket: blusmiddelen, noodverlichting en ook bhv-trainingen. Na mijn opleiding heb ik me gespecialiseerd in dat laatste. In het begin huurden we daar extern personeel voor in, maar op een gegeven moment heb ik zelf de opleiding tot instructeur afgerond. Ook heb ik me aangesloten bij de vrijwillige brandweer, voor de link met de praktijk.”
Wat vind je zo leuk aan bhv-training geven?
“Als je vraagt wat ik het nuttigst vind om over te brengen, dan zeg ik: het EHBO-gedeelte. Je moet het zo zien: bij brand red je voornamelijk gebouwen of goederen. Zeker als je op een kantoor werkt, is het heel simpel: bij een grote brand moet je gewoon wegwezen. Maar door een reanimatie kun je echt levens redden.”
Dat is toch een verrassende uitspraak voor een brandweerman… “Nogmaals, ik had het over wat ik het nuttigst vind om over te brengen. Als je me vraagt wat ik zelf het leukste vind om te doen, dan is dat branden blussen, want dan moet je voortdurend afwegingen maken. Ga ik naar binnen of niet? Wat zijn de baten ten opzichte van de risico’s?
Ik volg nu een opleiding tot bevelvoerder, en dan word je met zulke zaken geconfronteerd. Als er twee auto’s in een parkeergarage staan af te branden, en er is niemand meer binnen, wat hebben wij er dan nog te zoeken?”
Dit soort dilemma’s spelen toch ook een rol bij bhv-trainingen?
“Absoluut. Ik geef ook training aan ploegleiders. Als die een melding krijgen van een brand, en hun bhv’ers vertellen hun dat het pand in lichterlaaie staat, dan hoop ik dat ze er niet op afgaan met een brandblusser, maar zich focussen op de ontruiming.

De regels zijn heel duidelijk: zijn de vlammen langer dan je arm? Wegwezen. Zie je aan het plafond een dikke laag rook? Wegwezen. Zeker met de tegenwoordige risico’s, zoals kunststof dat in brand staat of accubranden, wil je dat mensen hun gezonde verstand gebruiken en geen risico’s nemen.”
Train je ze op hun eigen locatie of in jullie trainingsruimte?
“Dat verschilt. Ik ben een groot voorstander van oefenen bij de klant zelf, omdat dat de locatie is waar ze het uiteindelijk in praktijk moeten brengen. Je hebt dan meer mogelijkheden voor maatwerk. Maar soms is dat gewoon niet mogelijk. Er zijn bedrijven waar mensen niet normaal kunnen zitten, bijvoorbeeld in een kassencomplex. Iets dergelijks zie je bij een fabriek waar ze als kantine slechts een klein hok hebben waar continu bedrijvigheid is. Daar vind je gewoon geen ruimte voor een goede training, en dus wil ik liever dat ze naar ons toe komen.
We hebben hier een buitenlocatie waar we echt kunnen werken met rook en vuur. Daar kunnen we de cursisten laten ervaren hoe het is om in een ruimte te lopen die daadwerkelijk in brand staat. Wat doet dat met jou als mens? Het voordeel van zo’n eigen locatie is dat je nog meer de nadruk kunt leggen op zelf oefenen. Voor sommige cursisten is dat essentieel.”
Voor wie bijvoorbeeld?
“Neem medewerkers in de groenvoorziening. Die mensen werken altijd buiten; die zijn bezig met perken inrichten en bomen snoeien. Als ik die acht uur op een stoel zet, raak ik ze kwijt. Met hen moet je gewoon praktisch aan de slag. Daar moet ik gelijk bij zeggen dat anderen juist heel theoretisch zijn ingesteld. Die willen precies weten wat er tijdens een reanimatie in het lichaam gebeurt. Die mensen hebben een achtergrond nodig om het te kunnen plaatsen.”
Grote verschillen dus. Stel je hier je hele cursusprogramma op af?
“Natuurlijk. De meeste klanten komen al heel lang bij ons, dus ken ik ze bij naam en weet ik ook waar hun kwaliteiten liggen. Dat stelt me bijvoorbeeld in staat om te experimenteren met het vierstappenmodel, dat we gebruiken voor reanimatie. Eerst geef je een demonstratie zonder uitleg, dan een met uitleg, vervolgens moeten de cursisten vertellen wat je moet doen, en ten slotte gaan ze het zelf oefenen. Een erg nuttig model, maar je hoeft je er niet strikt aan te houden. Als ik een groep heb die wat verder gevorderd is, bijvoorbeeld bij een herhalingscursus, dan sla ik stap één vaker over, en begin gelijk met stap twee of zelfs stap drie.”
Heb je tips voor collega-instructeurs?
“Mijn belangrijkste: wees een beetje een vakidioot. Ikzelf denk dat ik dat ben. Voortdurend ben ik op zoek naar bronnen met nieuwe whitepapers en onderzoeken, zoals die van de Nederlandse Reanimatie Raad, het Oranje Kruis en het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV).
Dan lees je bijvoorbeeld dat de Nederlandse Reanimatie Raad de richtlijnen voor beademing heeft aangepast. Eerst mocht je over twee beademingen 10 seconden doen, maar nu hebben ze dat teruggebracht tot 5 seconden. Ze willen namelijk de onderbreking van de borstcompressies zo kort mogelijk houden. Dat laatste is belangrijk, want als instructeur moet je niet alleen uitleggen dat het zo is, maar ook waarom.”
Tot slot: je verwees al even naar het NIBHV. Wat vind je van hun inbreng?
“Laat ik duidelijk zijn: over het algemeen ben ik heel positief over de bhv in Nederland. We zijn bijvoorbeeld het enige land ter wereld waar iedereen in principe binnen 6 minuten kan worden gereanimeerd. Dat is onder andere mogelijk door de enorme hoeveelheid trainingen, en ook door de goede kwaliteit daarvan.
Ik denk dat wij als instructeurs behoefte hebben aan een sparringpartner. Een organisatie die je werk uit handen neemt qua certificering en archivering, en die je ook op de hoogte houdt van het laatste wetenschappelijke onderzoek. Het zijn organisaties als het Oranje Kruis en het NIBHV die de bhv-trainers ondersteunen en de kwaliteit van de Nederlandse bedrijfshulpverlening hoog houden.”